Over het karakter en de aard van de witte rassen kunnen we al van de Romeinen leren. Zij hadden hierover geschreven: zijn natuur zal noch vertrouwelijk, noch schuw of bijterig zijn. Hij zal eerder voorzichtig dan roekeloos zijn. Hij moet, nadat hij met schranderheid en dreigend degene die hem met boze voorwendsels nadert, deze met zijn geblaf afschrikken, zodat deze zich alsnog kan terugtrekken. Wie hem dan alsnog nadert, zal hij woedend bestormen. Dat was de eerste plicht van deze honden, die zich niet laten aanvallen. De tweede plicht was, zich met moed en volharding verdedigen.
Met deze woorden is eigenlijk het karakteristieke van deze honden al beschreven. De Tatrahond is een waak- en beschermhond. Honden die al duizenden jaren gewend zijn zonder hulp van mensen de kudde (roedel) te verzorgen. En bij dit werk, waar zij zich altijd verplicht toe voelen, horen drie grondbeginselen:

  1. Een steeds alerte opmerkzaamheid tegenover alles en iedereen.
  2. Een gezonde, gereserveerde houding en voorzichtigheid tegenover zaken, die nieuw voor hem zijn.
  3. In hoge mate intelligent zijn om nieuwe situaties naar waarde te kunnen inschatten en zonodig daarnaar te handelen.

Een Tatrahond ontgaat niets. Ook niet wanneer hij schijnbaar ligt te doezelen, hij registreert de kleinste veranderingen in zijn omgeving, zowel de van de tafel gevallen prop papier, als de bal in de tuin van de buren die er gisteren nog niet lag. Kleine dingen worden meteen voorzichtig in ogenschouw genomen en ingelijfd. Grotere zaken, zoals een nieuwe kast of een staande lamp worden eerst dreigend van een afstand geobserveerd, van een veilige afstand onderzocht en pas daarna aanvaard.
Vreemden, die de Tatra niet kennen, houden deze afstandelijkheid van de hond voor angst of schuwheid. Maar dat is absoluut niet het geval.

Voor deze zelfstandige beoordeling, afwachten en handelen heeft de Tatrahond bewegingsvrijheid en tijd nodig. Een Tatrahond is geen hond waar men tegen kan zeggen: “dat is goed, plaats “. Hij zal en moet dat zelf kunnen beoordelen. Dat doet hij ook, meestal in de betekenis van, wat is het beste voor mijn baas.
Tegenover bekenden, en zijn eigen roedel (gezin), is de Tatrahond een en al aanhankelijkheid. Hij volgt en beschermt 24/7 en wil het liefst altijd in de buurt zijn van zijn roedel. Hij volgt niet op bevel, hij volgt, omdat hij zich verantwoordelijk en verbonden voelt met zijn roedel. Bij dit “verantwoordelijk zijn” hoort natuurlijk, dat men hem de bewegingsvrijheid moet geven, die een goede waker nodig heeft.

Aan dit aangeboren verantwoordelijkheidsgevoel voor zijn roedel zitten drie voorwaarden, wanneer je met een Tatrahond op goede voet en in harmonie samenleven wil:

  1. Een Tatrahond heeft altijd een goede verstandhouding nodig met de familie. Het is geen hond alleen voor de kennel en voor de tuin. Hij wordt ongelukkig als hij gescheiden moet leven van zijn roedel (gezin). Hij moet altijd zelf kunnen beslissen of hij in de buurt van zijn roedel wil zijn of niet.
  2. Een Tatrahond is geen hond voor mensen die van een absoluut gehoorzame en onderdanige waakhond houden. Hij doet niets op bevel, alleen maar uit overtuiging en uit genegenheid. Beschermen en waken hoeft men een Tatra niet aan te leren, dat doet hij vanzelf. Dat moet men eerder af en toe iets temperen.
  3. Een Tatra kan alles leren maar het is geen hond die blij en vrolijk in de bijtmouw hangt en zich laat slaan. Onder druk, houdt hij zich niet aan hem door mensen opgelegde spelregels, hij denkt en zoekt zijn uitweg zelf onder alle omstandigheden.
error: Content is protected !!