Tijdens onze speurtocht op internet stuitten we op een interessant artikel over de ontwikkeling van de diverse hondenrassen en de kynologie in Polen. Onze nieuwsgierigheid was gewekt en al bladerend kwamen we natuurlijk “Owczarek Podhalanski” tegen. Helaas zijn de we taal niet voldoende machtig om alles woordelijk te kunnen begrijpen maar dankzij Ewa Jonkers kunnen we jullie toch een kijkje geven in de historie van ons mooie ras, zoals omschreven in Polen.

Volgens bewaarde documenten uit de zestiende eeuw bestond er naast de gangbare herdershonden nog een tweede type grote witte herdershonden, die in het bijzonder werden gewaardeerd en vaak werden gezien in het hoge Tatragebergte. Volgens de documentatie  kwamen dit soort honden samen met de nomadische volkeren van de Vlachen ergens tussen de veertiende en vijftiende eeuw daar terecht. Vanaf dit punt verspreidden ze zich over zowel de Poolse en Slowaakse Tatra. Het bergvolk en ook herders gaven om praktische redenen de voorkeur aan witte honden  omdat zij  gemakkelijk te onderscheiden waren van wolven en beren en de schapen voelden zich veilig met hen.

Omdat deze honden in een geïsoleerde omgeving leefden, kruisten met elkaar en zo ontstond er een afzonderlijk ras, met behoud van de gewenste eigenschappen zowel mentaal als fysiek. Het is het vermelden waard dat alleen met honden werd gefokt die de nuttige karakterkenmerken en de aanleg hadden. Er was veel minder aandacht voor het uiterlijk. W. Wieland schreef in een artikel:  “Er is een grote verscheidenheid in de honden die als waakhond worden gebruikt in Polen.” Hij opperde de mogelijkheid van een vrije uitwisseling tussen honden op de Poolse en Slowaakse kant van de grens. Dit zou een directe menging van bloed van Slowaakse Cuvac, Poolse herder en zelfs de Hongaarse Kuvasz hebben geven. Gezien dit en het feit dat er in de twintigste eeuw in deze regio geen grens was en ook geen aparte selectie van deze dieren, is het in principe moeilijk toen al te spreken van een apart Pools ras.

Zelfs voor de Tweede Wereldoorlog werden de witte herdershonden uit het Tatragebergte  vaak “luptakami” of “liptakami” genoemd. De naam is ontleend aan het Slowaakse dorp Liptov, dat  erom bekend stond dat zij de beste honden van dit type hadden. Een van de eerste Poolse beschrijvingen “luptoka” uit 1851, in het tijdschrift “De Poolse Tatra” spreekt over: ” Grote, witte honden zoals Newfoundlanders met lang wit haar op de nek en de staart, een langwerpige snuit, zwart fonkelende ogen en verhaalt over hun ongewone slimheid en moed. Op de bergweide houden ze de kudde bij elkaar en zorgen ervoor dat er geen schapen afdwalen. Dit doen ze met veel inzicht, behendig en snel. Het is moeilijk voor te stellen dat er een geschiktere werker zou zijn. Het valt te wensen dat dit ras zich verspreid over het hele land, want hun intelligentie is niet te vergelijken met andere herdershonden. Zij zijn superieur. Ze wantrouwen vreemden.”

Er is een grote kans dat ze al op landgoederen in de regio Malopolskie werden gehouden. Het bewijs daarvoor wordt geleverd door een brief van een uit Zakopane afkomstige prins Stolarczyk verzonden naar een rentmeester van de familie Sieniawskich in de regio van Sieniawa en Jaroslawia en gedateerd april 1847. Het toont aan dat de landheer 10 gouden florijnen aan de prins heeft betaald voor de aanschaf “van nog een witte hond.” Een afbeelding van een grote witte hond van dit type vinden we terug in de Poolse schilderkunst, zoals het schilderij van Alexander Kotsis “Herders keren terug van de bergweiden”, dat werd geschilderd voor 1860.

Alexander Kotsis – “Herders keren terug van de bergweiden”

In 1878 schreef X.W.A. Sutor in het tijdschrift “het herdersleven in de Tatra”: “In het voorjaar, wanneer de wind de sneeuw van de bergen veegt en het gras  sappig en groen is worden, is het tijd voor de runderen en schapen om te vertrekken naar de bergweiden waar zij de hele zomer zullen blijven. In elk dorp in de Podhale heerst dan een wijdverbreide vreugde. De herders gaan voorop  getooid met zwarte, ingevette hoeden en zwaaien met hun herdersstaf. Naast hen lopen de grote witte honden die hen overal volgen. Bij aankomst in de hut maken ze een vuur (WATRA), zetten hun eetgerei op zijn plaats,  repareren  het dak en naast de hut zetten ze een ton neer, maken ze een plaats voor het melken van schapen en verzamelen ze brandhout. In elke hut zijn 2-4 honden aanwezig die nodig zijn voor de herders. Dit zijn grote witte honden, met zwarte en glanzende ogen die getuigen van hun kracht en moed. Over dag gaan er meestal twee honden mee met de herder om de schapen te hoeden.  ’s Nachts bewaken ze de schapen bij de hut tegen wolven en beren. De honden eten hetzelfde als de herders, een soort brij gemaakt van schapenmelk”.

In de 19e eeuw werd Polen tot drie keer toe overheerst door een andere mogendheid. Een daarvan was Rusland. In die tijd moesten de mensen een soort schatting (belasting) betalen voor elke hond. Voor jachthonden was dat 5 roebel per hond per jaar en voor grote honden was dat 15 roebel per jaar. Dat betekende dat het aantal honden dat werd gehouden drastisch verminderde. Polen was lang geen soevereine staat en werd pas  in de 20ste eeuw zelfstandig.

De negentiende eeuw bracht ook een nieuwe stroom van literaire werken gewijd aan het fokken van honden en de kynologie op gang. De eerste aanwijzingen met betrekking tot het fokken van een zuivere rashond vinden we onder andere, in het “Handboek veeteelt en veterinaire geneeskunde voor de landbouw” editie: Warszawa 1839 S.J.T. Łyszkowskiego: “Het handhaven van de zuiverheid van een rashond dient zeer in acht  te worden genomen, want als men een raszuivere teef  verenigt met een hond van een ander ras, nakomelingen niet de juiste eigenschappen zullen hebben om de schapen te beschermen. Beide ouderdieren moeten de goede eigenschappen en kwaliteiten hebben en daarom raszuiver zijn. “- dat geldt met name voor herdershonden. Er werd een goed begin gemaakt met de kynologie in Polen en zij ontwikkelden zich snel. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging heel veel kennis verloren en ook stierven bepaalde typische Poolse rassen vrijwel uit.

Veel beter verging het de Poolse types van herdershonden. In de periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog werd er verder gefokt met de  Poolse herdershonden. Er waren twee types: de Podhalanski (in de bergen) en in het laagland de Nizinny. In de pers verschenen foto’s van de honden al in de jaren twintig Dr. S. Koźmian en Maurice Trybulski – destijds actief in de kynologie.

Nadat Polen haar onafhankelijkheid terug kreeg, werden grote, witte herdershonden uit de bergen al zo sterk geïdentificeerd als “nationaal” ras, dat ze werden uitgekozen als diensthonden voor het Korps Grensbewaking. De Tatra herdershonden werden voornamelijk gekocht door het leger om militaire faciliteiten te bewaken en de infanterie troepen van Podhale gebruikte ze als sledehonden. Helaas werden de door de militairen aangeschafte dieren nergens geregistreerd, noch gepresenteerd op hondenshows op dat moment. Tegenwoordig is het zelfs moeilijk om er achter te komen of de door het leger aangeschafte honden werden gebruikt vóór de Tweede Wereldoorlog, want in het algemeen bestond er over de honden geen gedocumenteerde herkomst.

In zijn boek “Hondenrassen, fokken, training en verzorging” editie 1928 schreef Maurice Trybulski: “De typisch Poolse Herdershond (Canis pecuaris polonicus) is te vinden in Podhale. Deze honden, bekend ook als Tatra, Liptok of Goralenhond,  is zo waardevol voor de bergbewoners dat ze deze zelfs niet zouden willen ruilen voor een goed schaap. Helaas, in deze tijd is het moeilijk om een ​​goede Tatrahond te vinden, en dat om de reden dat hele mooie rastypische teefjes tijdens de loopsheid niet voldoende worden bewaakt door de eigenaar en dan gedekt worden door bastaards. Dit betekent dat de nakomelingen soms zelfs helemaal niet slecht zijn in termen van nut, maar ze zijn  verre van rastypisch aangaande Owczarek Podhalanski. Anderzijds bezitten de  herders soms heel mooie rastypische honden, echter ze castreren deze om te voorkomen dat ze weglopen naar een loopse teef. Uiteraard, is dat uit het oogmerk van fokkerij een ramp voor de ras. Het is niet gemakkelijk om mooie rastypische Tatrahonden te vinden, maar het zou voor het ras een grote verdienste zijn als een intelligente fokker zich in gaat zetten voor deze zaak. Een van onze vooraanstaande fokkers van honden (Dr. S. Koźmian-Reicher) roept op om deze honden te gaan fokken en stelt voor een speciale club van fokkers van Poolse herders op te richten.

De Tatrahond is een opmerkelijke berghond, hij kan een schofthoogte bereiken van 60-76 cm, heeft een gedrongen, massieve constructie, is bedekt met vrij lange ruig haar meestal wit, de snuit is niet al te puntig en vrij kort. De oren hangen, grote expressieve ogen met een donkere iris; sterke, middellange benen, diepe borst, brede en korte rug, de staart hangt.

Wie de mogelijkheid had om deze honden van dichtbij mee te maken, raakte waarschijnlijk snel overtuigd van hun buitengewone intelligentie. Wie zag hoe deze honden te werk gaan bij het bewaken van de kudde is het er met ons over eens dat de Tatrahond die zijn taak verricht in de barre omstandigheden in het bergland gewoon van onschatbare waarde is. Moeten we er dan niet zorg voor dragen dat er meer interesse komt voor deze honden, zij kunnen worden ingezet bij diensten zoals politie, speurhond enz. Gelukkig dus nam ons Korps grensbewaking het initiatief en begon met het fokken en trainen van de Tatra herdershond voor bewaking en opsporing in het grensgebied.  Ik hoop dat dit veelbelovende begin gaat leiden tot het volledig herstel van ons ooit beroemde honden Owczarek Podhalanski en deze honden in de harten van de kynologen brede weerklank vinden.”

Tatrahonden bij Korps Grensbewaking Overgenomen uit het boek: Honden, rassen, fokkerij, trainen en verzorging, gepubliceerd 1928 – Maurycy Trybulski

Voor de Eerste Wereldoorlog was er al sprake van een grote witte hond die in de bergen woonde. De huidige grenzen bestonden toen formeel nog niet en de honden migreerden willekeurig in het gebied, dus is het moeilijk dan te spreken over een Pools ras van grote witte honden.

Kort na de onafhankelijkheid, en met het vaststellen van de Poolse grens, ontstond  uiteindelijk de Poolse Tatrahond, omdat ongecontroleerd doorkruisen van de grenzen niet meer mogelijk was. In het gebied van de Goralen bleef een grote populatie van de witte herdershond bestaan, die breed interesse van het Poolse leger trok, en onderworpen aan keuze en het gebruik, levend  in een bepaalde isolement, kon dit ras zich ontwikkelen, typisch in karakter en uiterlijk, kenmerkend voor de soort in deze regio.

De Poolse Stichting van Fokkers en Liefhebbers van Rashonden, Gezelschaps- en Diensthonden heeft zich opgeworpen om de witte herder van het Tatragebergte te promoten en populair te maken. In de jaren dertig maakten ze veel reclame voor het ras in het blad “Moj Pies” met de slogan: “Op elke Poolse boerderij hoort een Poolse Tatrahond”. Dit resulteerde ook in de steden al snel tot algemene invoering van de Tatrahonden. Vanaf 1935  begonnen de eerste registraties van de Tatrahond in de boeken van deze stichtingen, bijvoorbeeld:

  • JUHAS werd geboren in 1933 bij de fokker Podlipowski in Poronin, eigenaar was Krystyna Sławińska in Witkowiźnie, in de buurt van Minsk Mazowiecki
  • TUTNY, geboreni n 1930 bij fokker Sokolowski in Nowy Targ, de eigenaar was Stanislaw Lewandowski in Lviv
  • NINA met Tiergardenu geboren in 1930. De fokker was de Zoo in Boedapest (het is de moeite waard hier even bij stil te staan, omdat de teef geen Tatrahond was maar werd gepresenteerd als het Hongaarse ras Kuvasz). Stanislaw Lewandowski in Lviv was eigenaar
  • SMOK en CSIBI z Ropienki van eigenaar Irena Moraczewska uit Brzuchowice in de buurt van Lviv
  • BACA, BARRY en WATRA, gefokt door Sokolowski in Nowy Targ, eigenaar Maria Zbrożkowa uit Rudki in de buurt van Lviv
  • BIAŁY geboren in 1935 (vader: SMOK z Ropienki, moeder: ASTRA), fokker: Zoo in Warschau, de eigenaar was Bielawski uit Laski in de buurt van Warscha

Polskie Owczarki Podhalańskie fokker Józefa Kozioła uit Lwowa 1937

Tussen de twee oorlogen zijn een aantal rijke grootgrondbezitters begonnen met het fokken van de Owczarek Podhalanski, dit dan vooral in het gebied rondom Warschau en Lviv. De grootste fokker van dit ras was Stanislaw Lewandowski die fokte met de kennelnaam “z Ropienki”. Na de dood van Stanislaw Lewandowski (in 1936) werd zijn fokkerij voortgezet door Maria Lewandowska en haar dochter Irene Moraczewska in Brzuchowice in de buurt van Lviv. Destijds behoorde dit nog tot Pools grondgebied. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze streek bij Rusland ingelijfd. Op de National Dog Show, ter gelegenheid van de dertiende Oostbeurs, die in 1933 plaatsvond, werden de Owczarek Podhalanski’s zo succesvol gepresenteerd, dat er levendige belangstelling ontstond om deze mooie typische honden ook daadwerkelijk als ras op een echte hondententoonstelling te laten uitkomen. Dankzij de grote inzet en het vele werk van onder anderen, prof. Maurice Trybulski in 1937,  ontstond de eerste rasstandaard  voor de honden en kregen ze de naam Polski Owczarek Podhalanski of te wel “Tatrahond”.  Met de medewerking van Dr. Danuta Hryniewicz en later prof. Zbigniew Gałguszewicza slaagde hij erin om de eerste tentoonstelling van de Tatrahond te organiseren op 03-05 september 1937 in Antałówka. Het aantal dieren dat werd gepresenteerd, was indrukwekkend: 70 volwassen dieren en ongeveer 30 pups, die door de professoren Maurice Trybulski en Ignatius Mann samen werden geëvalueerd. Uiteindelijk werden 18 dieren in het stamboek ingeschreven. Ook werd er een rasvereniging opgericht.

In het tijdschrift “Pismach Podhalańskich” deel 1, uitgegeven voor de Tweede Wereldoorlog ongeveer in 1938, verscheen een artikel geschreven door Janusz Berghausen getiteld  “Podhalański Owczarek.” De auteur van het artikel schreef er over: (…) “In de laatste jaren voor de oorlog vonden in Zakopane tentoonstellingen plaats van rashonden met speciale nadruk op de zogenaamde Liptoków of herdershonden, een leven zonder deze herdershonden is niet voor te stellen. De grote witharige hond is de onafscheidelijke metgezel van de herder en herders. Hij wekte algemeen belangstelling onder seizoensgebonden gasten en een aantal van de lokale bevolking. Zij hebben een vereniging opgericht met als doel het fokken van Liptoków en het onderhouden van een zuiver ras. Het streven was niet alleen de schoonheid van de Owczarek Podhalanski te behouden, maar vooral de werkeigenschappen ervan” (…).

Het leek erop dat in de aanvangsfase, het regelmatig fokken van dit inheemse ras gebaseerd was op  zeer goede uitgangspunten. Toename van de populatie zou slechts een kwestie van tijd zijn. Helaas, het harde werk en de inspanningen gericht op het normaliseren van het fokken van dit ras werd ruw onderbroken door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, die vele levens heeft gekost, waaronder die van een groot liefhebber van het ras, prof. Maurice Trybulski, die in 1944 stierf in de Opstand van Warschau …

Laten we  voor een moment terugkeren naar de periode tussen de beide oorlogen. In deze periode begon in feite de ontwikkeling van het gestructureerd fokken van honden in Polen. Natuurlijk, deze groei zou niet mogelijk zijn geweest zonder inzet van de actieve clubs en de talrijk georganiseerde tentoonstellingen. Uit de bewaarde gegevens van de eerste tentoonstellingscatalogi was al snel op te merken dat de honden die getoond werden, beschouwd werden als Pools ras: Polski Owczarek Podhalanski en Polski Owczarek Nizinni. Czart, Ogar en Gonzi Polski bestonden toen nog niet.

Na de oorlog waren er nog steeds vrij grote aantallen Tatrahonden in het bezit van de Tatra hooglanders, zoals Jan Staszel,  Furtela Elder en Andrej Naglak in Zab, Joseph Kustora in Murzasichle, Wladyslaw Bachledy Curusia in Harenda en Vladislav Krupa in Zakopane, zij kozen ervoor om ze te verbergen en volgens hun eigen overtuigingen en oude tradities te fokken, in plaats van dat ze de opgelegde regels volgden. Dit resulteerde in het ontstaan van verschillende types.

Begin 1950 werd onder de vleugels van de Poolse Kennel Club een begin gemaakt met de wederopbouw van de Owczarek Podhalanski en het voortouw werd genomen door de Kynologische afdeling van Krakau, in de persoon van prof. Teodor Marchlewski, prof. Jadwiga Dyakowska, prof. Zygmunt Eve, prof. Anthony Żebrackiego, Dr. John Robla, Mgr Stanislaw Madeyski en met de actieve medewerking van Lubomir Smyczyńskiego, Marian Szymandery en Tadeusz Siemianowskiego. Een grote bijdrage aan het herstel van het ras werd geleverd door Dr. Vet. Henryk Dereziński, die op dat moment werkte in Podhale en dankzij zijn hulp werd een lijst van de levende Polski Owczarek Podhalanski in het gebied opgesteld. Daardoor werden de werkzaamheden aan de systematisering van het fokken van de Polski Owczarek Podhalanski een beetje makkelijker, want voor dit ras bestond pre-standaard, zelfs voor het uitbreken van de oorlog, welk aan de basis stond voor de wederopbouw van het ras.

In mei 1954 vond in Zakopane een keuring plaats van ongeveer 120 reuen en teven, waarvan 90% in handen was van herders uit de regio. Ze werden beschreven en  gemeten en er werd een wetenschappelijke conferentie  gehouden met vertegenwoordigers van het Institute for Animal, het ministerie van Landbouw. Aanwezig waren ook fokkers van  het ras. Het symposium werd bijgewoond door de bovengenoemde bekende kynologen en Rudolf Crispino, Eng. Z. Dąbczewski, E. Okarmus en Eng. Z. Danek. Een uitgebreide lezing werd gehouden door Dr. Henryk Dereziński  over het ras en deze vormde het uitgangspunt voor de rassstandaard van de Tatrahond na de oorlog. Echter, waarschijnlijk tot verbazing van sommige lezers, blijkt uit de archieven dat de eerste Poolse Owczarek Podhalanski met stamboom te weten SAMBOR en SURMA (uit:  v: SZTORM II, m: NORDA), niet te zijn geboren in de Poolse bergen, maar in 1957 in de badplaats Leba, kennel “z Kordegardy” van Dr. Danuta Hryniewicz. Zij waren afstammelingen van de honden uit Lviv in 1935.

De rasvertegenwoordigers met stamboom van het eerste uur zijn dus niet geboren in het gebied waar ze de naam van dragen, maar dichtbij de zee.  Toch zou na verloop van tijd het Tatragebergte ook wel Podhale genoemd, het belangrijkste centrum worden voor de fokkerij van dit ras. Door de gezinssituatie van Dr. Hryniewicz  was het voor haar niet mogelijk ​​om te blijven fokken met het ras, zij stopte en haar honden werden niet meer gebruikt voor de fok.

Na jaren van inspanningen werd in 1967 het ras Polski Owczarek Podhalanski erkend en de standaard geregistreerd door de FCI onder nummer 252a.  In 1973 heeft de Wetenschappelijke Raad van de Kennel Club de standaard gewijzigd en aangepast aan het op dat moment meest voorkomende type Polski Owczarek Podhalanski in Podhale. Hoewel door de jaren heen het fokken van de Tatrahond een licht stijgende lijn vertoonde, was het ras in Polen niet erg populair, einde van de jaren ’80 stonden er iets meer dan 800 exemplaren geregistreerd in het PKR. In 1985 werd opnieuw de rasstandaard gewijzigd, die FCI 252b ontving. Sinds 1988 is het effectieve nummer No. 252, gepubliceerd door de FCI in een geconsolideerde versie.

Bron: http://www.swiatczarnegoteriera.republika.pl/a-kynologia_dzieje_kynologii.html

Vertaling: Ewa Jonkers

error: Content is protected !!